| Diversen Gobes, Mary Hélène - Jeugd en WO-II | |||
|---|---|---|---|
|
| |||
|
Soort:
|
Diversen
| ||
|
Vermeld: |
|
||
|
Interview in 1996 met Mary Hélène Gobes - 'Levensverhalen'. DVD in mijn collectie, afkomstig van Hans Richard Gobes. Ze woonde tot haar derde in Watergraafsmeer, daarna op de Weteringschans. Haar vader had een zaak op Prinsengracht. Opslagplaats van metalen. AOW'er (oorlogswinst). Zij speelden zondagsochtends op de schuiten. Haar vader was zeer vermogend. Had gespeculeerd en alle oorlogswinsten gingen verloren. Hij ging naar Mary's grootvader (de vader van haar moeder) om geld te lenen. Die was razend. Hij had het zelf ook heel goed. Vader vond dat hij het nodig had 'voor je dochter en voor je kleinkinderen'. Opnieuw gegokt en verloren. Grootvader woonde op de gracht en kwam op de leeftijd om te stoppen met werken. Wederom werd hij razend. Hij kon daardoor niet pensioen. Deze grootouders naar België verhuisd, waar een tante van Mary woonde, getrouwd met een Belg. Daar zijn ze in huis gekomen. Vader vertelde zijn gezin: 'we moeten naar België, daar kan ik opnieuw iets beginnen, ik heb daar iemand waarmee ik in gesprek ben'. Eerst in hotel gewoond, daar bijna een jaar gewoond. Werd natuurlijk te duur. Mary's moeder huurde woning; vader verdween naar Amsterdam. Hij kwam wel eens in weekend. Stuurde geen geld. Hij speelde dat handig. Had zaak overgedaan aan zijn vriendin. Hij was zogenaamd knecht en verdiende haast niets. Op weekend kwam hij weer in Antwerpen; zijn vrouw had niet gekookt, 'omdat er geen geld was voor goed voedsel'. Vanaf die tijd is vader helemaal niet meer geweest. Moeder was rijk geweest, had veel diamanten juwelen. Verkocht die toen. Samen met haar moeder en twee broers woonde Mary tien jaar in Antwerpen. Het was crisistijd. Ze had een opleiding stenografie en typen gedaan en een goed baantje, maar ze werd ontslagen. Haar oudste broer was essayeur (testrijder) bij de autofabrikanten Spijker en Minerva. Hij werd ook opgezegd. Het geld raakte op. Terug naar Holland. Hadden aangetrouwde familie, die leende geld, als onderpand: dure schilderijen. Ze huurden op de Stadionkade een grote bovenwoning. Kamers verhuurd. Het werd een ramp en ze hield er niets aan over. Kregen Otto Frank als huurder. Heel nette man. Op een avond kwamen zij vrouw en kinderen naar Amsterdam. Matrassen op de grond in zijn kamer; zijn een tijdje bij hen geweest. Na de oorlog ontmoeting in Americain. In 1940 krijgt Mary een dochtertje en besluit haar in d'r eentje op te voeden. Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt woont Mary met haar kindje in Amsterdam-Zuid. Zelf waren zij Joden, maar niet orthodox. Deden niet aan geloof; speelde geen rol in hun leven. Allang niet meer terug in de familie. Haar oudste broer moet zich op 17-8-1942 melden voor de arbeidsdienst. Een ver familielid (dr. Premsela) gaf spul waardoor hij heel erg ziek werd. Dochtertje vond oom Freddy bewusteloos en begon te gillen. Naar de Valeriuskliniek gebracht. Daar zaten veel Joden ondergedoken. Mary's en twee broers waren ondergedoken, worden verraden en door de Duitsers opgepakt. Haar broers zal ze nooit meer zien. Terwijl haar dochtertje alleen thuis was, wordt Mary opgepakt bij boodschappen doen. Naar Euterpestraat gebracht. Via hulp van een goede Duitser, op basis van het Christen-zijn van haardochtertje, kreeg ze een Sperre van AusderFünten. In 1942, voordat Mary zelf wordt opgepakt, heeft ze nog een laatste ontmoeting met haar moeder. Nog eenmaal gezien, toen ze bij de boeren zat ondergedoken, kwam ze naar Amsterdam. Ze had heimwee. Ze heeft met potlood een brief aan Mary geschreven in de trein naar Sobibor; Freddy heeft er wat bijgekrabbeld. De brief heeft ze op een perron gegooid; die is bij Mary aangekomen, die heeft ze nog. 'Ik ben optimistisch, ik ben niet te beroerd om te werken, alles zal goedkomen, we zien elkaar weer.' Op een dag kwamen twee in burger geklede mannen haar halen en namen haar mee naar de Hollandsche Schouwburg. Eerst werd het huis leeggeroofd. Ze namen de autoped van Mary's dochtertje mee, die ze voor haar verjaardag had gekregen. Brullen natuurlijk. Het kind werd naar buren gebracht, vervolgens naar een vriendin en via via naar een meer definitief adres. Bonboekjes, tot aan de kip in de keuken werd meegenomen. Met hulp goede Duitser is ze uit de Schouwburg weggelopen, maar ze kon nergens onderdak vinden. Toen het Sperrzeit werd is ze weer teruggegaan naar de Schouwburg. In Westerbork kwam ze bij het aardappelcorvee. In november 1943 vertrekt Mary naar het doorgangskamp Theresienstadt in het toenmalige Tsjechoslowakije. 'Ze werd aangesteld als paard.' Een aantal vrouwen werd voor een wagen ingespannen om de lading naar buiten het kamp te rijden. Ze ontmoette er een man. 'Liefde op eerste gezicht.' Die vriend hielp haar aan een baantje als Betreuerin op de kinderzaal, met jongens van 5-18 jaar. Ze zijn daar getrouwd, zo kon ze met hem mee als hij op transport ging. Op een dag was er een transport, alleen voor mannen, en haar man moest mee; de vrouwen mochten niet mee. Stefan is toen weggegaan. Een paar dagen later kon ze hem toch met een transport achterna. Ze stond al in de rij, maar werd gewaarschuwd. Vlak voor de bevrijding kwamen massa's mensen aan, die vergast moesten worden. Ze bouwden als gekken gaskamers, om de misdaden te verdoezelen. In een open goederentrein gaat Mary na haar bevrijding terug naar Nederland. Doodmoe komt ze aan op het Centraal Station in Amsterdam. Er volgde een hereniging met haar dochter, die haar niet herkende. In de Bachstraat, bij een oom en tante. De documentaire gaat verder met haar leven na de oorlog. |
|||